Spanje
Het Koninkrijk Spanje is een land in het zuidwesten van Europa. Aan het begin van de 20e eeuw telde Spanje ongeveer 20 miljoen inwoners; dat aantal heeft zich inmiddels ruim verdubbeld tot 46.063.511 (2008). Het land is naar West-Europese maatstaven nog altijd dun bevolkt (bevolkingsdichtheid: 85,8/km²), en de bevolking is zeer ongelijkmatig verdeeld. De dichtstbevolkte gebieden vindt men aan de verschillende kusten en in de regio van Madrid.
Algemeen
Spanje is een constitutionele monarchie en beslaat een oppervlakte van 505.992 km². Het land beslaat grofweg 80% van het Iberisch Schiereiland. Buiten dat horen ook de eilandengroep Balearen in de Middellandse Zee, de Canarische Eilanden in de Atlantische Oceaan en de Spaanse exclaves in Noord-Afrika bij het land.
In het noordoosten grenst Spanje aan Frankrijk en Andorra, over de gehele lengte van de Pyreneeën, in het westen aan Portugal en in het zuiden aan de Britse kolonie Gibraltar. De hoofdstad van Spanje is Madrid, een stad met meer dan 3 miljoen inwoners gelegen in het midden van het land.
Spanje is een divers land met zeer uiteenlopende culturen, talen, eetgewoonten en klimaten. Het land varieert van de regenachtige vissersdorpen in Galicië tot het nachtleven van Madrid, de toeristische kusten aan de Middellandse Zee, het flamencodansen van Andalusië, en stierenvechten in vele delen van het land en het moderne Barcelona in Catalonië.
Spanje werd lid van de NAVO in 1981 en is lid van de Europese Unie sinds 1986. De euro werd de Spaanse munteenheid op 1 januari 1999 en verving daarmee de peseta; per 1 januari 2002 werden de euromunten en -bankbiljetten ingevoerd.
Korte Geschiedenis
Spanje werd een wereldmacht onder de Habsburgers (1504-1700) en de Bourbons (1700-1868). Het Spaanse rijk strekte zich over de hele wereld uit. Karel V heerste over Duitsland, Bourgondië, de Nederlanden, Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Moravië, delen van Italië, de Filipijnen en het grootste deel van Midden- en Zuid-Amerika. Bij Karels troonsafstand in 1556 werd het rijk verdeeld tussen zijn zoon Filips (Spanje plus koloniën en de Nederlanden) en zijn broer Ferdinand (het Duitse keizerrijk).
Nu begon een periode van verval. De Nederlanden maakten zich los wegens godsdiensttwisten en de centralisatie waar zij het niet mee eens waren. De Turken bleven het de Spanjaarden lastig maken. De Fransen bestreden de Habsburgers omdat ze zich omsingeld voelden. De Republiek was vanaf 1588 de facto onafhankelijk, en ontwikkelde zich op handels-, zeevaart- en koloniaal gebied al snel tot een concurrent. Een andere mededinger was Engeland. Uiteindelijk namen deze landen de leidende positie van Spanje over.
Van 1701 tot 1714 woedde de Spaanse Successieoorlog. Deze resulteerde in een gecentraliseerde staat met aan het hoofd het huis van Bourbon.
Aan het begin van de 19e eeuw, toen Napoleon Bonaparte keizer van Frankrijk was en een groot deel van Europa domineerde, zette hij de Bourbons af, wat resulteerde in een jarenlange guerrillaoorlog, die in Spanje nog steeds bekend staat als de Guerra de Independencia (Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog). Het begon allemaal toen generaal Junot 27.000 onervaren soldaten kreeg om de regering van Lissabon aan te pakken. Portugal voerde namelijk handel met Engeland, een overtreding van Napoleons Continentale Stelsel
Terwijl Junot zich op Portugal concentreerde, richtte Napoleon zich op de oorlog in Spanje die was ontstaan na de opstand in Madrid op 2 mei 1808. Deze volksopstand kon hij echter niet onderdrukken.
De napoleontische regering in Spanje kwam ten val. Napoleon verloor 17.000 soldaten. Voor de oorlog met Rusland moest hij troepen uit Spanje weghalen, terwijl de problemen in Spanje niet waren opgelost. Onder generaal Wellington werden de Spanjaarden geholpen en de Fransen werden in 1814 uit Spanje verjaagd.
Door deze periode van oorlog en chaos raakte Spanje de controle over haar koloniën kwijt, waardoor heel Midden- en Zuid-Amerika in opstand kwam. Uiteindelijk raakte Spanje vrijwel zijn hele koloniale rijk kwijt. In de tweede helft van de 19e eeuw leidde de Spaans-Amerikaanse Oorlog tot het verlies in 1898 van de laatste Spaanse koloniën op het westelijk halfrond: Cuba en Puerto Rico. Ook verloor het land de Filipijnen.
In 1931 werd Spanje een republiek (tweede Spaanse Republiek) uitgeroepen nadat koning Alfonso XIII gedwongen werd af te treden. Voortdurende politieke instabiliteit leidde uiteindelijk tot de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Die begon als een nationalistische opstand tegen de wettige republikeinse regering, maar was, met alle buitenlandse bemoeienissen, feitelijk een conflict tussen de democratie en het franquisme, een variant op het Italiaanse fascisme. Generaal Francisco Franco, leider van de nationalisten, kreeg steun van Duitsland en Italië, terwijl de regering werd geholpen door de toenmalige Sovjet-Unie en de vele buitenlandse internationale brigades (Fransen, Belgen, ...). De nationalisten overwonnen, en generaal Franco bleef als dictator aan de macht tot zijn dood in 1975. Hij werd de "caudillo" genoemd en weigerde president te worden. Hij bepaalde dat na zijn dood de monarchie hersteld moest worden. In tegenstelling tot wat velen verwachtten, en de Asmogendheden zelfs hoopten, weigerde Franco zijn land bij de Tweede Wereldoorlog te betrekken. In de beginfase steunde hij de As verbaal, verklaarde zich "non-belligerent", maar stuurde wel een "vrijwilligersdivisie" naar het Oostfront om Nazi-Duitsland bij te staan tegen de Sovjet-Unie. Later trok hij deze terug en verklaarde zich neutraal.
Al in de nadagen van Franco bloeide de Spaanse economie op, onder andere door het massatoerisme. Het bedrijfsleven verlangde naar hervormingen om aansluiting bij Europa te krijgen. Het vond een bondgenoot in Juan Carlos, de aangewezen opvolger van Franco.
Na de dood van Franco werd Juan Carlos I, de kleinzoon van Alfonso XIII, de nieuwe koning. Mede door zijn toedoen kwam in 1978 een democratische grondwet tot stand. Op 23 februari 1981 mislukte een staatsgreep van Antonio Tejero. In 1982 werd de sterk gecentraliseerde eenheidsstaat getransformeerd in een gedecentraliseerde staat met autonome regio's. In 1986 trad Spanje toe tot de Europese Gemeenschap, zodat het vanaf 1993 van de vrije markt kon profiteren.
Op 11 maart 2004 werd Spanje opgeschrikt door een aantal aanslagen op forensentreinen in Madrid. Er vielen 191 slachtoffers. De aanslagen waren vermoedelijk gepleegd door Al Qaida, vanwege de Spaanse militaire aanwezigheid in Irak. Premier Aznar legde de schuld in eerste instantie bij de Baskische terreurbeweging ETA. Dit werd hem niet in dank afgenomen, en zijn partij werd weggestemd ten gunste van de sociaaldemocraat Zapatero. Deze kondigde een verandering van beleid aan, en trok de troepen terug uit Irak.
Cultuur
De dominante religie in Spanje is het Rooms-Katholieke geloof. Volgens officiële bronnen is meer dan 80% van de bevolking officieel Rooms-Katholiek. Hierbij moet opgemerkt worden dat een groot deel van deze groep verplicht werd tot het geloof in tijden van het Franco-regime, en daar dus nooit zelf voor heeft kunnen kiezen. In die tijd (tot ver in de jaren 70) was elke Spanjaard volgens de wet katholiek, vrijwillig of niet. Daardoor is een groot deel van het genoemde percentage officieel gelovig, maar in het dagelijks leven niet praktiserend. Een duidelijk recent bewijs hiervan is het feit dat meer dan 70% van de Spaanse bevolking het homohuwelijk heeft goedgekeurd, terwijl de Katholieke kerk daar grote bezwaren tegen heeft. Sinds juni 2005 is Spanje dan ook het derde land van de Europese Unie waar het homohuwelijk is gelegaliseerd.
Buiten het katholieke geloof bestaan er een aantal protestantse bevolkingsgroepen, waarvan geen één echter uit meer dan 50.000 personen bestaat. Ook zijn er ongeveer 20.000 Mormonen.
In de afgelopen 34 jaar (sinds de val van het Franco-regime) is het aantal praktiserend gelovigen drastisch gedaald, en is Spanje religieus gezien geen traditioneel Rooms-Katholiek land meer. Volgens een onderzoek van de New York Times in 2005, gaat slechts 18% van de bevolking regelmatig naar een kerkdienst. Binnen het deel van de bevolking dat wel religieus actief is, zijn net als in de meeste Noord-Europese landen, verschillende maten en niveaus van daadwerkelijke betrokkenheid te onderscheiden.
De Heiligen Jakobus de Meerdere, Johannes van Avila en Theresia van Avila zijn de beschermheiligen van Spanje.
Siesta
In Spanje wordt 's middags siësta gehouden, vooral in de zomer. De siësta valt in heel Spanje van 14:00 tot 17:00, ook al kan dat plaatselijk verschillen. Tijdens de siësta zijn veel winkels gesloten, het is het moment van de dag om te eten en afhankelijk van de regio uit te rusten of slapen. De normale werktijden/schooltijden zijn dus behoorlijk anders dan gebruikelijk in Noord-Europese landen, men werkt gemiddeld van 10:00 tot 14:00 en van 16:00/17:00 tot 20:00/21:00. Het wel of niet sluiten van winkels hangt overigens af van het deel van Spanje waar het om gaat, in het centrum van de grote steden zijn de meeste winkels zes dagen per week open van 10:00 tot 21:00. Eind 2005 werd het voorstel gedaan om de siësta af te schaffen, maar voorlopig zijn daar geen concrete plannen voor.
De Spaanse Keuken
De Spaanse keuken is net zo divers als de Spaanse culturen en klimaten. Typische Spaanse producten zijn de vele wijnen en cava’s, talloze worsten waaronder chorizo, jamón serrano of jamón ibérico (iberische ham), talloze kazen, peulvruchten, rijst, Mediterraanse groenten en veel verschillende zoetigheden. De meest bekende gerechten zijn de Spaanse tortilla, Paella, Gazpacho, stoofpotten (cocidos) en Calamares a la Romana (gefrituurde inktvis). Bekend zijn ook de tapas, die zowel ’s middags als ’s avonds kunnen worden gegeten, en in sommige delen van het land gratis zijn. Het eten van tapa’s is ook in het buitenland (Noord-Europa, Noord-Amerika) zeer populair. Er zijn honderden, zo niet, duizenden soorten tapa’s die erg verschillen per regio. Spanjaarden waarderen vooral de simpelheid, versheid en kwaliteit van het eten, en niet altijd de presentatie of het gebruik van zoveel mogelijk ingrediënten en kruiden in één gerecht. Typisch Spaanse drankjes, die met name in de zomer worden gedronken zijn Sangria, Horchata en Clara (bier gemengd met licht zoete frisdrank 'gaseosa').
Ook al zijn er regionaal erg veel verschillen te onderscheiden, (de Galicische keuken lijkt bijvoorbeeld totaal niet op de Catalaanse of Andalusische keuken), er zijn toch een aantal typische kenmerken van de Spaanse eetcultuur:
* Twee keer warm eten per dag (rond 15:00 en rond 22:00), meestal een voorgerecht én een hoofdgerecht
* Het drinken van wijn bij de maaltijd (ook ’s middags)
* Erg vaak buiten de deur eten (gemiddeld 4 keer per week)
* Het koken met verse producten en weinig consumptie van diepvriesproducten, voorbereide kruidenmixen of kant-en-klaarmaaltijden
* Scheutig gebruik van olijfolie voor zowel koude als warme gerechten
* Grote consumptie van vis, schelpen en schaaldieren t.o.v. andere landen. Na Japanners zijn Spanjaarden de grootste visconsumenten ter wereld.
* Het eten van zoetigheden als ontbijt (vrijwel nooit brood)
Toerisme
Ook al is het grootste deel van de toeristen in Spanje zelf Spaans, het is ook het land met het op één na grootste aantal buitenlandse toeristen per jaar, na buurland Frankrijk, en beslaat maar liefst 7% van het wereldwijde internationale toerisme. Dat is meer dan Italië of de Verenigde Staten. Het toerisme kwam vooral op in de jaren '60 en '70. Het aantal buitenlandse toeristen steeg van minder dan 700.000 in 1951 naar 4 miljoen in 1959, 34 miljoen in 1973, 40 miljoen eind jaren '70, begin jaren '80[5] In 2005 werd Spanje bezocht door maar liefst 52,4 miljoen buitenlanders, volgens het Ministerie van Industrie, Toerisme en Handel.
Catalonië (Barcelona, Costa Brava, Costa Dorada, Pyreneeën) is veruit het meest toeristische deel van het land, meer dan 25% van de buitenlandse toeristen bezocht deze regio in 2005, gevolgd door de Balearen (9,4 miljoen buitenlandse toeristen), en de Canarische Eilanden (8,6 miljoen buitenlandse toeristen). Ongeveer twee derde van de buitenlandse toeristen komt uit slechts drie landen; 29% uit het Verenigd Koninkrijk, 18% uit Duitsland en 16% uit Frankrijk (vooral naar Catalonië). Nederlandse en Belgische toeristen omvatten respectievelijk slechts 4% en 3% van het totaal.
Bron: Wikipedia

























